De Legendarische Kinhaar
Of: waarom ik eigenlijk altijd een pincet op een kettinkje om m’n nek zou moeten dragen
Sommige dingen in het leven keren altijd terug, als de afwas en maandagen. En dan is er nog de kinhaar.
Niet zomaar een kinhaar. Nee. Dé kinhaar.
Het is altijd dezelfde, daar ben ik heilig van overtuigd. Ze heeft een soort persoonlijkheid ontwikkeld. Een innerlijke klok. Ze voelt feilloos aan wanneer ik net op het punt sta een belangrijke afspraak te hebben. Een date. Een vergadering. Een bruiloft. Een reünie met mensen die “altijd al vonden dat ik er een beetje alternatief uitzag.” Juist dan: plop — daar is ze weer. Midden onder mijn kin. Met de zelfverzekerdheid van iemand die weet dat niemand haar zomaar wegkrijgt.
Ze komt nooit op een moment dat ik thuis ben, comfortabel, met goed licht en een pincet binnen handbereik. Nee joh. Ze verschijnt op straat. In de trein. Op het toilet van een restaurant, waar de verlichting nét fel genoeg is om haar op te merken, maar net te fel om er psychisch ongeschonden uit te komen.
En het is niet zomaar een haartje. Ze is lang. Ze is stevig. Ze zou, bij voldoende spaargeduld, gebruikt kunnen worden als mini-verfkwastje. Geef me nog twee maanden sparen en ik kan er een bezem van maken voor een Barbiehuis. Misschien zelfs een hele rage aan schoonmaakaccessoires starten voor poppen. “Schoon met je kin.” En mocht ik nog fanatieker gaan sparen is een staalborstel ook een optie.
Natuurlijk probeer ik haar weg te wrijven. Te trekken met mijn nagels. Te negeren. Maar zij? Zij lacht me uit. Ze lijkt me de gek aan te steken. En als het waait, dan vangt ze het licht zó perfect op, dat iedereen het ziet. Iedereen. Als mijn oma nog had geleefd, had zelfs zij haar kunnen zien — en dat terwijl ze staar had.
Ik heb serieus overwogen een noodpincet in elke jaszak te bewaren. In mijn portemonnee. In m’n BH. In m’n schoen. Maar dan vergeet je het natuurlijk weer precies wanneer je haar écht nodig hebt. En dan zit je dus wanhopig met twee nagels te peuteren alsof je een soort gestoorde filosoof bent die de hele tijd over z’n kin loopt te wrijven.
Dus ja. Mocht je me ooit zien staan in een wc met TL-licht, loerend in een spiegel, fronsend en fluisterend “waarom nou weer jij?” tegen mijn eigen kin… dan weet je: ze is er weer. De legendarische. De onvermijdelijke. De kinhaar.
En ik? Ik geef het op. Volgende keer laat ik haar groeien, net zolang totdat ik haar mee kan vlechten met mijn hoofdhaar. Ik denk dat dat een weekje of 5 duurt.
Liefs,
MS-mama


Laat je een berichtje achter? (: